Homepage / Actueel / Nieuws / Archief / De middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden Deel II: Dagelijks leven

25.11.2011   De middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden
Deel II: Dagelijks leven

Onder redactie van Martin Hillenga en Hans Kroeze

‘..en hier moeten wij met nadruk een opmerking naar voren brengen. Het is deze: dat in zulke tijden van rust en inwendige groei, waarin de kroniekschrijver weinig van zijn gading vindt, juist de eigenlijke geschiedenis van het klooster ligt. Wat er dan gebeurt, onttrekt zich aan de waarneming van de historicus en het is niet vast te leggen: en toch: daar gaat het om, daarin vindt het klooster zijn grond en bestaansreden.
Onenigheid en verbanning zijn tenslotte, evenals de grote feesten, uitzonderingen in de geschiedenis van een klooster. Zij vormen de hoogtepunten, duidelijk waarneembaar voor de buitenstaander en uitstekend te beschrijven; doch het werkelijke leven speelt zich af in de vruchtbare valleien daartussen, onzichtbaar, maar van beslissende betekenis.
Het gezegde: “Gelukkige volkeren maken geen geschiedenis” is ook op religieuze gemeenschappen van toepassing. Zodra gij van een klooster niets hoort, wanneer er van zijn bewoners weinig of geen ruchtbaarheid uitgaat, weet dan dat het er goed gaat. Weet dan, dat er alle reden is om ook het geringste, wat daar gebeurt, nauwkeurig op te schrijven. En de paradox is, dat er dan niets te schrijven valt.’

De bewering dat er niets te schrijven valt over ‘de vruchtbare valleien’ tussen voor- en tegenspoed in de kloostergeschiedenis, zoals Godfried Bomans in dit fragment uit het verhaal ‘Trappistenleven’ stelt, wordt door de verschijning van dit tweede deel van De middeleeuwse kloostergeschiedenis van de Nederlanden gelogenstraft. Acht bijdragen werpen in deze bundel licht op wat er zich binnen de kloostermuren, en in sommige gevallen ook daarbuiten, afspeelde. Kortom op het dagelijkse, zo u wilt ‘werkelijke’ leven.

Het inleidend hoofdstuk, van de hand van Paulina de Nijs, plaatst meteen al een kanttekening die ook voor de andere auteurs heeft gegolden: ‘Het is onmogelijk om het leven van de verschillende kloosterlingen uit de verschillende kloosters uit de verschillende perioden over één kam te scheren.’ Het gaat dan ook om een algemeen beeld, dat door de thematische schakering wél erg rijk is.
Jos Koldeweij herhaalt in zijn artikel de opvatting van Bomans: ‘Het dagelijkse kloosterleven - het wonen, bidden en werken - zoals dat in gebouwen en voorwerpen was gematerialiseerd en waarvoor de tastbare overblijfselen naast teksten van uiteenlopende aard voor ons de materiële en geschreven bronnen vormen, is met name bekend dankzij perioden van grote voorspoed of juist van zware rampslag.’ Hij wijst op de gebrekkige archivalische bronnen en op relatief weinig ‘overlevende’ kloosters met een continuïteit die terugreikt tot in de Middeleeuwen die lange tijd beeldvorming bemoeilijkten. In zijn bijdrage geeft hij een waardevol overzicht van het recentste onderzoek naar kloosterboedels, met als conclusie dat ‘het middeleeuwse klooster als een gesloten samenleving functioneerde, als een microkosmos’.
Zelfvoorzienendheid speelt een grote rol in de hoofdstukken van Christianne Muusers en Carla Oldenburger over respectievelijk eten en tuinen, thema’s die onderling ook de nodige raakvlakken hebben en waarin deels dezelfde bronnen uit de Klassieke Oudheid een rol spelen. Daarmee zijn we gekomen bij de culturele rol van kloosters. ‘In veel religies, waar ook ter wereld, zijn gemeenschappen van kloosterlingen centra van geleerdheid geweest, waar kennis werd bewaard en doorgegeven. En ook geleerdheid moet je eerst leren. Daarom zijn kloosters vaak centra van onderwijs geweest’, zo begint de bijdrage over onderwijs van Annemarieke Willemsen.
Hans Kienhorst besteedt vervolgens aandacht aan scriptoria, en wijst erop dat ons beeld van het schrijven in kloosters – dat onder andere stoelt op de bekende schoolplaat van Isings – niet klopt. Ike de Loos gaat in haar hoofdstuk in op muziek(handschriften), en óók daar raken het hogere en het wereldse elkaar. De associatie van schrift met kloosters is een voor de hand liggende, misschien juist daarom besluit dit boek met een hoofdstuk over glas-en-loodkunst van de hand van Rens Bonekamp. De gebrandschilderde ramen waren in de Middeleeuwen een ‘Biblia Pauperum’, een Bijbel voor de ongeletterden. Bovendien ligt de oorsprong van dit ambacht besloten in het klooster.

De redactie hoopt met dit boek, net als met het eerste deel van de serie, een bijdrage te hebben geleverd aan de kennis van het middeleeuws kloosterleven in de Nederlanden en ook belangstelling voor deze rijke geschiedenis te hebben gewekt. Deze gedachte c.q. wens komt tot uitdrukking in het – onveranderde – uitgangspunt voor deze bundel: ‘wetenschappelijk verantwoord, maar voor een groot publiek toegankelijk’.

Deel II werd uitgegeven door W BOOKS (voorheen Waanders Uitgevers) in Zwolle en is evenals Deel I ondermeer te koop in de Kloosterwinkel van Klooster Ter Apel.

2020 © Museum Klooster Ter Apel
Boslaan 3-5, Ter Apel [NL]   Tel. +31 [0]599 581370   info@kloosterterapel.nl
Twitter Facebook Instagram
colofon  |  privacy  |  cookies  |  links  |  contact  |  mobiel
Klooster Ter Apel
Boslaan 3-5
Postbus 139
NL-9560 AC Ter Apel
Tel. +31 [0]599 581370
Fax. +31 [0]599 587140
www.kloosterterapel.nl
info@kloosterterapel.nl