
Sinds donderdag 18 februari 2010 hangen tien Iconen (images/mixed media, print on rough textured nature white 80 x 60 cm) van beeldend kunstenaar Theo Berends uit Nieuw-Amsterdam permanent in Klooster Ter Apel op de eerste etage bij de entree van het dormitorium.
Van 16 juni tot en met 23 september 2007 waren Berends’ Agatha, Antonius Abt, Augustinus, Helena, Maria Magdalena, Odilia, Phillipus & Jacobus, Rochus en Theodorus al te zien tijdens een tijdelijke expositie in Galerie I van Klooster Ter Apel. Spraakmakend, ook al vanwege de opvallende wijze waarop de Iconen werden ingelijst door de Kloostervrijwilligers Toon Uijttewaal en Johan van der Veen, die daarvoor ondermeer hout van bomen uit de Kloosterenclave gebruikten.
Speciale heiligen ‘Hebben de kruisheren ook speciale heiligen?’, vroeg beeldend kunstenaar Theo Berends op een goede avond aan kloosterdirecteur Hans Kroeze terwijl zij kuierden door de verder kompleet stille, bijna donkere kruisgang van Klooster Ter Apel. De serene sfeer maakte grote indruk op hem. ‘Odilia, Helena, Theodorus en Augustinus’, antwoordde Kroeze om in ieder geval enige voorbeelden mét saillante details ten tonele te voeren. Enfin, voordat de kunstenaar huiswaarts keerde stonden, de liturgische kalender van de Orde van het Heilig Kruis volgend, tien namen op een velletje papier.
Maanden verstreken. Een periode, zo bleek later, waarin Berends zich grondig verdiept had in de biografieën van en legenden over vrouwen en mannen die tot op de dag van vandaag voor veel mensen van meer dan normale betekenis zijn. Zonder uitzondering vormden die levensbeschrijvingen, gekoppeld aan de door hem steeds weer als bijzonder ervaren sfeer in Klooster Ter Apel, een fantastische inspiratiebron.
‘Een nieuwe Odilia is vereeuwigd’, klonk het uiteindelijk enthousiast door de telefoon, ‘een nieuwe kijk op Rochus is geboren, zó heb je Helena nog nooit gezien…..’ Toen Hans Kroeze het uiteindelijke tentet voor het eerst onder ogen kreeg deelde hij zijn enthousiasme meteen, was verrukt over het resultaat en even later ook aangenaam verrast: Theo Berends had besloten zijn Iconen aan Klooster Ter Apel in langdurig bruikleen ter beschikking te stellen!
Antonius werd in 251 of 252 geboren als zoon van welgestelde ouders uit Kome in Midden Egypte. Op ongeveer 20-jarige leeftijd, na het overlijden van zijn ouders, vertrok hij om zich aan de ascese te wijden. Daarvoor zocht hij als ‘monachos’(eenling, monnik) de eenzaamste plekken op, waar de te bestrijden demonen zouden wonen. In de demonen bestreed Antonius de boosheid in zichzelf om zo tot volmaaktheid te komen. Nieuw bij Antonius was dat hij dit ‘monastieke’ ideaal voorleefde in een samenleving van gelijkgezinden. Als monnik hielp hij vervolgde medechristenen, armen en zieken, gaf hij raad, correspondeerde hij met keizers en bestreed nog op hoge leeftijd de ketterse arianen. Als monnik bezocht hij in 271 Alexandrië en veroorzaakte daar een volksoploop omdat iedereen de man van God wilde zien. Zijn levenswijze werd de grondslag voor het monniken- of kloosterleven. Er resten zeven authentieke brieven van zijn hand.
Augustinus van Hippo is de grootste en invloedrijkste bisschop en theoloog van het Westen
uit de vroegchristelijke tijd. Hij werd in 354 geboren als zoon van de niet-christelijke Patricius
en de christin Monica. Zijn moeder gaf hem een christelijke opvoeding, waarvan hij tijdens
zijn studie in Madauro en Carthago weer afstand nam. Het waren de inhoud en vooral
ook de niet-klassieke taal die hem van het christendom vervreemden. Hij wijdde zich aan een
studie van het neoplatonisme. Hij had in die tijd een vaste relatie met een vrouw, die hem een
zoon schonk, Adeodatus.
Hij reisde naar Milaan voor volgzamere studenten en een betere positie. Daar ontmoette hij Ambrosius en kwam zo in contact met het kloosterleven. In 387 liet hij zich door hem dopen naar aanleiding van een ervaring onder een vijgenboom in een tuin: gekweld door twijfels had hij onder het lezen van de Bijbel de kreet van een kind gehoord, die hij verstond als ‘tolle, lege’ (neem en lees). Hij keerde terug naar Afrika en leefde samen met vrienden en zijn zoon, die eveneens gedoopt waren, in zijn geboortestad Tagaste als monnik. In 391 koos en wijdde men hem tot priester van Hippo Regius. Tegen zijn zin werd hij in 395 bisschop van de stad. Dat bleef hij tot zijn dood. Uit zijn bisschopsfunctie kwamen 93 werken en honderden preken en brieven voort, onder welke Confessiones en De Civitate Dei.
Voor alle middeleeuwse auteurs golden Augustinus’ werken als de belangrijkste. Voorschriften die hij voor zijn leefgemeenschap naliet, werden en worden nog door veel leden van kloosterorden, bijvoorbeeld de kruisheren, als leefregel gebruikt.
De oudste afbeelding van Augustinus toont hem in voorname kledij, zittend in een ‘secretarium’ voor een lezenaar met een groot boek, terwijl hij het spreekgebaar maakt. Het is een fresco uit de tijd voor 600 in de bibliotheek van Gregorius de Grote in het Lateraan te Rome, in feite een vergroot auteursportret. Het onderschrift luidt: ‘Veel vaders behandelden veel, maar hij alles, zijn verheven ideeën in de Romeinse taal luid verkondigend.’
In vroege documenten wordt Odilia beschreven als een van de 11.000 maagden van de Heilige Ursula. Ursula en haar metgezellen werden door de Hunnen bij Keulen ter dood gebracht vanwege hun geloof. De cultus rond Odilia kwam pas in de tweede helft van de 13e eeuw op. Volgens de oudste documenten door de verschijning van Odilia aan een kruisheer van de Parijse gemeenschap. In 1286 kreeg Johannes van Eppa een visioen waarin hij de relieken van drie van Ursula’s metgezellen moest opgraven: Christina, Basilia en Yma. Hij ging naar Keulen, vond de relieken en bracht ze over naar verschillende kerken. Het jaar erna verschenen Yda en Odilia, eveneens metgezellen van Ursula, in een visioen aan hem. Volgens sommige overleveringen stelde Odilia zich voor als de dochter van keizer Marmeus en reisgenote van Ursula en stond ze erop dat Johannes naar Keulen zou afreizen om daar de stoffelijke resten van haarzelf en haar zuster Yda op te graven. Toen Johannes vertelde over het visioen gaf de prior eerst geen toestemming voor de reis. In 1287 vertrok Johannes echter naar Keulen. Op 1 september vonden de kruisheer en de priester met wie hij reisde het graf in een boomgaard onder een perenboom en groeven de relieken op. De aartsbisschop van Keulen was aanwezig toen de relieken werden opgegraven. Enkele dagen later waren ze onderweg naar het moederklooster van de orde in Hoei. Onderweg vonden tal van wonderen plaats wanneer mensen in aanraking kwamen met de relieken. Ze werden met grote vreugde ontvangen en in een houten reliekschrijn gelegd.
Helena was van eenvoudige komaf, mogelijk de dochter van een herbergier. Zij werd de concubine van de medekeizer van Diocletianus, Constantius Chlorus, die in 306 overleed. Hun zoon Constantijn (geboren in 274) volgde hem in 306 als medekeizer op. Toen Constantijn door zijn leger tot keizer was uitgeroepen, maakte hij zijn moeder keizerin. Toen Constantijn in 312 de slag bij Pons Milvus, een brug over de Tiber, had gewonnen, bekeerde Helena, al over de zestig, zich tot het christendom. Zij leefde zeer vroom, kleedde zich sober en schonk ruimhartig aan de kerken. In deze periode zou zij naar Jeruzalem zijn afgereisd om er de heilige plaatsen te bezoeken. Op aanwijzing van Judas, een heidense inwoner van de stad, vond zij de drie kruisen op Golgotha. Om het kruis van Christus te kunnen onderscheiden van de andere twee, werd een zieke of zelfs dode vrouw op de kruisen gelegd. Het kruis dat haar deed opstaan, moest het ware kruis van Christus zijn. Op de plaats van de vondst liet Constantijn een grote basiliek bouwen. Grote delen van het kruis werden naar Constantinopel gebracht en partikels ervan werden over de hele christelijke wereld verspreid. Helena zou het kruispartikel onder haar bed hebben bewaard, waar het zich op wonderbaarlijke wijze vermenigvuldigde. De drie spijkers zouden zijn verwerkt in het bit van het favoriete paard van Constantijn. Tijdens haar terugreis nam ze ook nog de stoffelijke resten van de Drie Koningen mee, die in 344 aan Milaan werden geschonken en zich thans in Keulen bevinden. Zij liet talrijke kerken bouwen, onder welke de Geboortekerk in Bethlehem.
Theodorus van Celles wordt vereerd als de oprichter van de Orde van het Heilig Kruis. Hij werd voor het eerst vermeld in een 17e-eeuws werk van Henricus Russelius, getiteld Chronicon Cruciferorum sive Synopsis Memorabilium Sacri et Canonici Ordinis Sanctae Crucis. Volgens Russelius nam Theodorus van Celles deel aan de derde kruistocht en bezocht Jeruzalem, waar hij kennis maakte met de reguliere kanunniken van het Heilig Graf. Hij voelde zich aangetrokken tot hun levensstijl, hun gebeden en hun organisatie. Russelius zegt vervolgens dat de bisschop van Luik, met wie Theodorus reisde, hem de positie van kanunnik aanbood in de kathedraal van Luik. Theodorus keerde terug naar zijn geboorteland en nam de positie aan. Al snel raakte hij geïnteresseerd in de hernieuwing van de vita communis van de kanunniken van de kathedraal. Na een reis naar Zuid-Frankrijk om tegen de Albigenzen te prediken, keerde hij terug naar Luik, zegde zijn positie als kanunnik op en ging wonen vlak bij de St.-Theobalduskapel buiten Hoei aan deMaas in een plaats die Clarus Locus, Clairlieu heette. Volgens Russelius vroegen Theodorus en zijn kompanen erkenning van hun stichting aan bij de paus. Later reisde hij naar Rome en willigde paus Innocentius IV zijn verzoek op 3 mei 1216 in. De eerste kruisheren onder leiding van Theodorus waren bekend als broeders van het Heilig Kruis. Veel meer is niet bekend over de stichter van deze orde. Volgens Russelius stierf Theodorus in 1236 in Clairlieu.
Philippus behoorde tot de volgelingen van Johannes de Doper. Hij leidde Nathaniël naar Jezus en was bevriend met Andreas. In het Nieuwe Testament wordt hij genoemd bij de broodvermenigvuldiging, waar hij vaststelde dat 200 schellingen brood niet voldoende was. Philippus verschafte enkele Grieken toegang tot Jezus en werd door Jezus terechtgewezen op zijn verzoek om hem de vader te tonen: wie Jezus ziet heeft ook de vader gezien. Volgens de Legenda Aurea preekte Philippus twintig jaar bij de Scythen. Toen hij voor een afgodsbeeld werd geleid om te offeren, kwam er een draak onder vandaan, die de zoon van de priester en twee tribunen doodde en die de menigte door zijn giftige adem ziekmaakte. Philippus verjoeg de draak en genas de zieken. Philippus had twee dochters, die velen tot het geloof bekeerden. Philippus werd op 87-jarige leeftijd martelaar ofwel aan het kruis ofwel gestenigd.
In het Nieuwe Testament wordt Jacobus de Mindere aangeduid als zoon van Alphaeus, als Jacobus de Jongere en als broer van de Heer. Nadat Petrus uit Jeruzalem was weggevlucht, zou Jacobus bisschop zijn geworden. Jacobus zou de gelofte hebben gedaan om niet meer te eten totdat Christus was opgestaan en zou als eerste de communie hebben ontvangen van de verrezen Heer. Toen Jacobus zeven dagen voor de hogepriester Kajafas preekte, zou een man de toehoorders hebben opgehitst om Jacobus te stenigen, waarop hij van de kansel werd geduwd en voortaan mank liep. Een onschuldige koopman werd door Jacobus bevrijd en hij hielp een pelgrim in nood. Jacobus werd van de dakrand van de tempel van Jeruzalem gegooid, gestenigd en, omdat hij toen nog niet dood was, met een vollerstang doodgeslagen. Op de plaats van zijn dood werd in Jeruzalem de Jacobuskerk gebouwd.
Agatha stierf waarschijnlijk samen met andere christenen de marteldood onder keizer Decius (249-251). Haar legende vertelt een typisch ‘maagdenverhaal’: Agatha, een edele, christelijke jonge vrouw werd begeerd door de landvoogd Quintinianus. Toen zij, vanwege haar mystieke verloving met Christus, niet bereid was op zijn avances in te gaan, werd zij uitgeleverd aan de koppelaarster Aphrodisia, die met haar zeven dochters een bordeel had. Agatha wist toch haar maagdelijkheid te bewaren, waarop folteringen volgden. Over deze folteringen werd gemeld dat eerst haar borsten werden afgesneden, die echter in een nachtelijke verschijning door de apostel Petrus werden hersteld. Daarna werd Agatha op gloeiende kolen met scherpe scherven geworpen. Toen haar lichaam naar het graf gedragen werd, verscheen een jongeman met een marmeren epitaaf met de tekst: ‘(Zij was) een heilige vrouw, (tot lijden) bereid, een eer voor God en de redding van haar vaderstad.’ Het grafschrift voorspelde daarmee dat de stad een jaar na haar dood gered zou worden van de stroom lava bij een uitbarsting van de Etna: door haar sluier voor de lavastroom te houden, had men het natuurgeweld gekeerd. De landvoogd Quintinianus verdween na Agatha’s dood met paard en al in een rivier. In Rome was Agatha’s verering betrekkelijk vroeg bekend. Hiernaar wordt verwezen in twee berichten in het Liber Pontificalis, een geschiedenis van bisschoppen van Rome in de vorm van biografieën. Al in ca. 500 stichtte bisschop Symmachus in deze stad ter ere van haar een kerk aan de Via Aurelia. Een eeuw later wijdde Gregorius de Grote een kerk aan haar. De oudste afbeelding van Agatha bevindt zich in de reeks maagden die Maria eer betuigen op de noordelijke mozaïekwand uit de 6e eeuw in de San Apollinare Nuovo in Ravenna.
Volgens de Bijbel verdreef Christus bij Maria uit Magdala zeven demonen. Daarna sloot zij zich bij zijn gevolg aan en was zij aanwezig bij zijn kruisiging en zijn dood, de kruisafname en de begrafenis. Maria Magdalena behoorde tot de drie Maria’s die, nadat zij op paasmorgen zalf hadden gekocht, naar het graf van Jezus gingen om hem te zalven en dat leeg aantroffen. De opgestane Heer verscheen voor Maria Magdalena, die hem voor een tuinman hield. Nadat zij hem herkend had, verkondigde zij dit aan de apostelen. Tijdens de Middeleeuwen werd, vanwege de exegetische interpretatie van de kerkvader Ambrosius van Milaan, Cassianus en paus Gregorius I, de bijbelse Maria Magdalena vereenzelvigd met zowel Maria van Bethanië in het huis van Lazarus als met de naamloze zondares, die tijdens de maaltijd bij de Farizeeër Simon de voeten van Jezus zalft en met haar haren afdroogt. Maria Magdalena wordt meestal als boetelinge afgebeeld, in een dierenhuid of halfnaakt, met zeer lang haar dat haar lichaam bedekt. Deze afbeelding is echter ontleend aan de Heilige Maria van Egypte, waardoor beide heiligen nogal eens verwisseld worden. Op andere afbeeldingen wordt zij als rijk geklede vrouw getoond en draagt een zalfpot in haar hand.
Rochus werd in Montpellier geboren uit rijke ouders, maar werd al snel wees. Hij schonk op 20-jarige leeftijd zijn vermogen aan de armen en was zijn verdere leven pelgrim en verzorger van pestlijders op de wegen naar Rome. In Piacenza werd hij zelf getroffen door de ziekte. Hij genas echter op wonderbaarlijke wijze: zijn hond bracht hem brood en een engel verzorgde zijn wonden. In 1322 keerde hij terug naar zijn geboortestad en werd daar, getekend als hij was door de pest, niet herkend door zijn eigen oom die hem gevangen liet nemen. Volgens een ander, waarheidsgetrouwer verhaal werd hij aangezien voor een spion en in een kerker gegooid, alwaar hij stierf. In 1485 werd zijn gebeente overgebracht naar Venetië, waar de Scuola di San Rocca werd gesticht, een broederschap ter verpleging van zieken. Sindsdien bloeide langs de Europese handelswegen een enorme Rochusverering op.